\input{preamble}
Nieuwsbrief uit het Wilde Westen\\
\vspace{0.3cm}
\large
(editie 3 van Nieuwsbrief uit het Hoge Noorden; themanummer)
\end{center}
\normalsize
\vspace{0.3cm}
\Sec{Inleiding}
Na de eerste twee nieuwsbrieven uit het Hoge Noorden is het een hele
tijd stil gebleven. Niet omdat ik het zo druk had, dat er geen tijd
was om te schrijven. Ook niet omdat het zo rustig was, dat er eenvoudig
niets te schrijven viel. Nee, de ware reden is dat ik na 2$\frac{1}{2}$
maand het Hoge Noorden tijdelijk heb verruild voor het Wilde Westen.
En daar had ik het inderdaad te druk om te schrijven.
Daarom is dit een ander soort nieuwsbrief dan de vorige (en de volgende).

Ten eerste is hij een stuk langer; wie deze brief per E-mail, dus op het
werk ontvangt, houde hier rekening mee! Ten tweede is het geen verslag
van het dagelijks leven in een ander land, maar een reisverslag.
Geen reisgids\footnote{Voor
wie wel een reisgids zoekt: `Mexico, a travel survival kit' van uitgeverij
`Lonely Planet' kan ik zeer aanbevelen. Hierin staan niet alleen alle
bezienswaardigheden, maar ook hoe je er kunt komen. Verder worden bij
iedere plaats (bijna) alle hotels en een aantal restaurants beschreven.
Deze gids bestaat ook voor andere delen van de wereld, zoals India en
Zuidoost-Azi\"{e}.}:
de hoogte van de Piramide van de Zon in Teotihuacan of
de afstand tussen Mexico Stad en Puebla staan er niet in.
Ten derde schrijf ik dit verslag voornamelijk voor mezelf. Het is dus
mogelijk dat sommige passages de lezer die er niet bij geweest is,
vervelen. Hiervoor mijn excuses.

Welnu. De reden van mijn vertrek was, dat ik een werkbezoek ging brengen aan
de universiteit van Riverside, Californi\"{e}. Riverside ligt zo'n 80 km.\
ten oosten van Los Angeles. Mijn gastheer daar was Prof.\ Teodor Przymusinski.
Verder ontmoette ik zijn vrouw Halina, W\l{o}dek Drabent (de \l{ }wordt als
een w uitgesproken; de uitgang -ek is een verkleining: het Nederlandse -tje,
zijn eigenlijke naam is W\l{o}dzimierz) en Lars Degerstedt, de Zweed uit
Link\"{o}ping die daar een half jaar verblijft.

Toevallig was er in de week van mijn vertrek een interessante bijeenkomst
in Londen over Logisch Programmeren en Kunstmatige Intelligentie. Daar
maakte ik dus een tussenstop van een paar dagen. Tenslotte besloot ik 
aansluitend aan het werkbezoek vier weken op vakantie te gaan in Mexico,
en zowel op de heenreis als op de terugreis Nederland aan te doen.
In Link\"{o}ping is geen reisbureau dat tickets
Link\"{o}ping--Amsterdam--Londen--Los Angeles, terug
Canc\'{u}n--Amsterdam--Link\"{o}ping tegen een redelijke prijs kan le\-ve\-ren.
De reis moest dus gesplitst worden: een nederlands reisbureau slaagde erin
het traject Amsterdam--Londen--Amerika v.v.\ te leveren (zij het met wat
extra tussenstops); tussen Link\"{o}ping en Den Haag reisde ik uiteraard
per trein.

Van de week in Nederland was ik \'{e}\'{e}n dag in Amsterdam, waar ik de
promotie van Yao Hua Tan bijwoonde. Aangezien ik ook nog een aantal andere
zaken moest regelen, hebben alleen de collega's op het CWI die niet op het
verkeerde moment met hun ogen knipperden mij langs zien komen. Excuses,
maar ik had echt niet meer tijd. 's-Avonds op het promotiefeest heb ik
toch nog wat rustiger met een aantal kennissen kunnen praten.
Na de rust van Link\"{o}ping viel de drukte in Amsterdam me trouwens
wel rauw op m'n dak. Toen het op de dag van vertrek naar Londen regende,
alsof het nooit meer droog zou worden, wist ik weer waarom ik naar Zweden
was verhuisd. In Engeland was het gelukkig droog, en haast onbewolkt.

Bij de daling zag
ik duidelijk Kent als een lappendeken liggen. Alle percelen passen als
een puzzel in elkaar, zonder rechte lijnen en hoeken. Alleen de kilometers lang
kaarsrechte spoorlijn van Ashford naar Tonbridge was een uitzondering.
Zouden ze die lijn niet voor de TGV kunnen gebruiken? Van Gatwick naar
London Victoria Station loopt ook een spoorlijn, met zelfs op zondag
ieder kwartier een trein. Maar een retourtje kost wel \pounds 15!

\Sec{Londen}
Ik was nooit eerder in Londen geweest (een tussenlanding op Heathrow
daargelaten) en nu had ik een halve dag. Niet veel. Maar je hoeft
tenminste niet te proberen om alles te zien. Na mijn kamer in het hotel
in bezit genomen te hebben, stapte ik dan ook zonder nadere plannen in
de eerste de beste dubbeldekker: dat punt was tenminste gescoord.
Het einddoel van deze bus bleek Baker Street te zijn. Uiteraard is op
221B Baker Street het Sherlock Holmes Museum gevestigd. Niet direkt
iets wat de gemiddelde toerist bovenaan zijn lijst zet, maar ik had geen
lijst. Het museumpje was aardig, maar niet spectaculair.

Verder heb ik, deels te voet, deels per Underground, enkele meer
gebruikelijke be\-ziens\-waar\-dig\-heden bezocht, zoals Piccadilly Circus,
Trafalger Square, de Tower en Tower Bridge. Natuurlijk maakte ik ook
een rondje langs enkele van de grote stations. Vooral St. Pancras is
een enorme suikertaart, zeker in verhouding tot de weinige treinen
die er nu nog komen. De Docklands Light Railway is helaas 's-zondags
gesloten i.v.m.\ uit\-brei\-dings\-werk\-zaam\-heden.

De conferentie werd gehouden in een gebouw van het Imperial College,
een doolhof van gangen en gangetjes, trappen en liften. Het viel me
weer eens op dat informatici op een dergelijke bijeenkomst uiterst
informeel gekleed zijn. Welgeteld \'{e}\'{e}n persoon droeg een pak
en een das, maar dit bleek dan ook een jurist te zijn, die samen met
een informaticus een deel van het bevolkingsrecht vertaald had in
logische (wiskundige) regels. Bij het conferentie-diner werd de organiserende
secretaresse toegezongen, omdat ze uitgerekend die dag jarig was.
In de wijk rond Imperial College liggen veel ambassades. E\'{e}n ervan was
volgens het bordje naast de deur van de `XXXXX\hspace{-3.5em}Peoples Republic
of Bulgaria'. De geschiedenis in een notedop.

Op woensdag 25 maart vloog ik van Londen, via Houston, naar Los Angeles.
Bij het inchecken in Londen bleek weer eens dat `jumping to conclusions' een
menselijke, maar niet altijd correcte manier van redeneren is.
De veiligheidsbeambte begon, nadat ze een blik op mijn paspoort had geworpen,
met de gebruikelijke routinevragen:

``Woont U in Nederland of in Engeland?''

``In Zweden.''

``Oh. Komt U nu uit Stockholm of uit Amsterdam?''

``Uit Londen.''

``Oh.''

Tijdens de vlucht zat ik naast een Engels meisje dat zich op een heel andere
manier met de logica van alledag bezig hield: ze hield bij het maken van
films de `continuiteit' in de gaten: zorgen dat een improviserende acteur niet
in scene 14 iets vertelt, wat hij pas in scene 16 zelf te weten komt. Het kan
immers gemakkelijk gebeuren dat scene 16 eerder dan scene 14 wordt opgenomen.
Ook moest ze er voor zorgen dat er geen scene bij het opnemen vergeten zou
worden.

\Sec{Riverside}
Om half acht 's-avonds locale tijd (voor mijn gevoel dus half vier 's-nachts)
landde het vliegtuig in LA. Ik werd afgehaald door Lars Degerstedt en
Feliks Kluzniak (inderdaad, een Pool). Lars had voor \$500 een zeer oude
Cadillac gekocht. De snelheidsmeter werkte niet en de automatische
versnelling had z'n beste tijd gehad. Ook lekte het vehikel water en olie.
Het was nog ruim een uur rijden van het vliegveld naar het motel.

Bij de afrit Riverside sloeg de motor af, maar Lars kreeg 'm weer aan de praat.
Later bleek, dat vermoedelijk op dat moment alle olie weggelekt was, zodat
die laatste kilometers de motor geen goed gedaan hebben.
Lars meldde die avond ook nog even, dat hij de volgende dag naar Aspen,
Colorado zou vertrekken om een weekje te gaan wintersporten.
Hij had namelijk bij zijn ticket Zweden--LA een binnenlandse retourvlucht
cadeau gekregen.

Ik lag om 10 uur in bed en werd de volgende ochtend om 6 uur wakker.
Na een ontbijt in een naast het motel gelegen restaurant te hebben
genuttigd (dat was meteen de laatste keer: verder heb ik op de kamer
ontbeten met brood, ham en pindakaas, gekocht in een supermarktje),
liep ik in zo'n 15 minuten naar de universiteit, waar ik werd ontvangen door
W\l{o}dek Drabent en Teodor Przymusinski. Zeker 10 van die 15 minuten
waren nodig voor het doorkruisen van het universiteits\-terrein.
In het midden stond op een grasveldje de onvermijdelijke klokketoren;
eromheen lagen de bibliotheek, boekwinkel en een paar eetgelegenheden.

De eerste week is er van werken niet zo heel veel terecht gekomen.
Ten eerste moest ik me natuurlijk installeren: werkplek, toegang to de
computer en een enorm aantal formulieren (voor mijn verblijf van een jaar
in Zweden heb ik minder formulieren ingevuld dan voor drie weken USA!).
Ten tweede was Lars er niet, terwijl het belangrijkste doel van mijn
bezoek was over zijn vorderingen te praten. En tenslotte was er het
probleem Mexico ...

Het was de bedoeling in Mexico zoveel mogelijk per trein te reizen.
Ik had daartoe al vanuit Zweden een fax gestuurd naar een reisbureau
in Laredo, dat gespecialiseerd is in treinreizen in Mexico. 
(Tegenover Laredo, aan de Mexicaanse kant van de grens, ligt Nuevo Laredo;
deze plaats heeft een station waar alle boekingen direkt gemaakt kunnen
worden.) Op die fax had ik nooit antwoord gekregen.
Bij telefonisch informeren bleek, dat van alle reserveringen die ik had
willen maken alleen die op de toeristische `Copper Canyon'-lijn (Los
Mochis--Chihuahua) mogelijk waren. Op alle andere
lijnen waren de treinen met reserveerbare eerste klasse opgeheven!
De Mexicaanse regering heeft besloten dat, aangezien toch iedereen per
bus reist, ze geen geld meer in het personenvervoer per rail stopt.

Ik had ook nog een ander telefoonnummer, van een bureautje dat
toevallig in Riverside zelf gevestigd is. Hier kreeg ik een
vriendelijke man aan de lijn, die, ofschoon zelf een treinhobbyist,
het reizen per trein in Mexico sterk afraadde, behalve op de
`Copper Canyon'-lijn. Deze lijn stond juist met Pasen, volgens zeggen
de drukste vakantietijd in Mexico, op het programma. Daarom was het
reserveren van zowel de trein als de hotels onderweg aanbevolen.
Hij gaf me het fax-nummer van een hotel in Los Mochis, dat al deze
reserveringen in \'{e}\'{e}n klap kon maken.
Dat is uiteindelijk inderdaad gelukt, maar toen was het inmiddels
wel twee weken later. Voor de lange afstanden in het noorden van Mexico,
LA--Los Mochis en Chihuahua--Mexico Stad, regelde ik zonder problemen
vliegtickets. Met dat al werd de reis wel ineens een stuk duurder.

De eerste dagen in Riverside was het wel redelijk warm, maar nogal
regenachtig weer. Op zondag 29 maart werd het weer beter. Die
dag reed ik met de `stads'bus naar Perris, op 29 km.\ van Riverside. 
Perris is een volstrekt onbeduidend plaatsje, met maar \'{e}\'{e}n
attractie: een groot tram- en spoorwegmuseum. De spoorweg\-collectie
is vrij klein, maar de collectie trams is van wereldklasse.
Natuurlijk waren er veel verschillende PCC-trams, een succesvol type
van Amerikaanse origine, dat ook in Den Haag nog steeds dienst doet.
Tot de buitenbeentjes in de collectie behoren een tram uit Japan en een
Ierse dubbeldekstram, waarvan het bovendek open is. Er werd met sommige
trams gereden over een ringlijn, terwijl andere ongeveer 1 km.\ heen
en weer reden over een verlaten spoorlijn.

Woensdag 1 april kwam Lars weer terug uit Aspen. Zijn uitje was
niet zo voorspoedig verlopen. Eerst had hij vanwege de problemen met zijn
auto zijn vertrek met een dag moeten uitstellen. Vervolgens had hij in
Aspen kou gevat en de laatste dagen in bed doorgebracht. Hij was nog steeds
niet helemaal fit. 's-Avonds zou er in `downtown' Riverside markt zijn,
was mij verteld. Toen ik daar aankwam was er echter geen spoor van een
markt te bekennen: afgelast wegens regen. Niet dat het regende, maar
rond lunchtijd was er even een plensbui gevallen. Op het nieuws hoorde ik
later dat het elders rond LA wel serieus geregend had.

Op loopafstand van het centrum van Riverside ligt een merkwaardige heuvel
temidden van vlak land: Mount Rubidoux. Hij zag er op de kaart interessant
uit, dus besloot ik hem op zaterdag 4 april te `beklimmen'.
Inderdaad was het een aardige wandeling. Amerikanen wandelen natuurlijk
niet: of ze nemen totaal geen beweging, of ze doen het fanatiek.
Mt. Rubidoux bleek een zeer geschikt terrein te zijn voor natuurklimmers,
die de berg in groten getale bevolkten. Op de top was een groep soldaten
bezig met `abseilen'. Aan de andere kant van de berg lag een klein
vliegveldje, waar \'{e}\'{e}nmotorige vliegtuigjes startten en landden.
Het was een aardig gezicht: vanaf de berg keek je {\em neer} op de
vliegende vliegtuigjes.

Na via een klein paadje van de berg te zijn afgedaald liep ik door naar
Fairmont Park, een gewoon stadspark met een groot meer erin.
Het liep inmiddels tegen zessen, en vele families waren bezig
voorbereidingen te treffen voor een barbeque in het park.
Bij het verlaten van het park stond ik plotsklaps oog in oog met een
oude stoomlocomotief, die in de middenberm van een weg was neergezet.

Of ik nu boven op Mt. Rubidoux kou heb gevat, of dat Lars me heeft aangestoken
weet ik niet, maar de volgende ochtend voelde ik me niet zo fit. Maar
die dag zouden we (Lars, W\l{o}dek en ik) samen met de Przymusinski's
naar de kust. Lars haalde ons om 9 uur op (we hadden er zowaar aan
gedacht dat die nacht de zomertijd was ingegaan) en aangezien zijn auto
het bleef doen kwamen we om 10 uur aan in Anaheim.

Daar persten we ons met z'n zessen in de auto van de Przymusinski's
(Marcel, hun zes-jarige zoontje, ging ook mee). We picknickten op een
strandje nabij Newport Beach. Na nog wat door het plaatsje gelopen
te hebben reden we terug. Om Marcel een plezier te doen deden we
nog `even' een spelletje Monopoly voor het eten, zodat het nog vrij
laat werd voor we naar huis reden. Lars' auto bleef zich goed houden.

De volgende middag hield ik mijn eerste voordracht in Riverside, een
algemeen overzicht van loop checking. Daarna kwamen we in een discussie over
Lars' werk terecht, die tot half acht 's-avonds duurde. Toen ik naar het motel
liep had ik het gevoel dat ik koorts had. De volgende ochtend voelde ik me
maar weinig beter. Ik besloot een dag thuis te blijven, in de hoop er dan
verder van af te zijn. Gelukkig kon ik van het motel een videorecorder huren,
zodat ik niet de hele dag naar de Amerikaanse TV hoefde te kijken.

Ik heb nog wel een stukje gezien van het proces tegen de vier agenten in LA,
die beschuldigd werden van het gebruik van teveel geweld tegen Rodney King.
Het hele proces werd rechtstreeks uitgezonden.  Men probeerde vast te stellen
of een wetenschapper `wetenschappelijk genoeg' was om tegenover de jury (die
dus nu niet aanwezig was, en ook geen TV mocht kijken) te getuigen dat:
`Als er zoveel geweld was gebruikt als twee getuigen beweerden, dan moest er
meer lichamelijke schade zijn dan waargenomen.' Kennelijk gaat men er niet
van uit dat de jury zelf kan uitmaken hoe betrouwbaar zo'n bewering is.
Misschien is dat ook wel zo, maar waarom zou een rechter meer van biofysica
afweten dan een jurylid?

Later hoorde ik dat het hele proces op de tocht was
komen te staan doordat een getuige in aanwezigheid van de jury ineens iets
zei over een eerdere aantekening wegens geweldsmisbruik op de staat van dienst
van een van de beschuldigden. Kennelijk mocht de jury dat ook niet weten,
om het vooroordeel `eens eens dief, altijd een dief' te ondervangen.
Als zo'n geval ernstig is, dan is er een `retrial' noodzakelijk, met een
nieuwe, onbevooroordeelde jury. Met die TV-uitzendingen van het hele proces
zou het samenstellen van zo'n nieuwe jury een vrijwel onmogelijke taak zijn.
(Iets dergelijks heeft zich geloof ik voorgedaan in de zaak tegen Noriega.)
Maar goed, dit was nou eenmaal het enige TV-programma dat niet minstens iedere
tien minuten werd onderbroken door reclame.

De volgende twee dagen ging ik wel naar de universiteit, maar ik was nog
wel wat gammel en ging daarom vroeg terug. Op vrijdag was ik weer in orde
en hadden ik met Lars en W\l{o}dek weer een serieuze bespreking.

Toen ik mijn moeder voor het eerst vertelde van mijn plan om door Mexico te
gaan reizen, vroeg ze vrijwel meteen: `Mag ik mee?' Daar had ik geen bezwaar
tegen. Ze wilde ook wel een weekje in de buurt van LA rondkijken, dus op
zaterdag 11 april ging ik haar van het vliegveld halen. (Het was goedkoper
zelf een auto te huren dan een taxibusje te laten rijden.) Omdat ze pas
's-avonds aan zou komen (met de zelfde vlucht als ik), had ik de tijd om wat
door de omgeving te rijden. Ondanks het warme weer in Riverside lag er in de
bergen ten noordoosten van LA nog sneeuw. E\`{e}n weg was zelfs nog afgesloten,
zodat ik een eind om moest rijden. Gelukkig kwam ik daar tijdig achter, en
was ik op tijd op het vliegveld (ondanks een Pizza Hut, waar ze me ruim een
half uur op een pizza lieten wachten; het was nog een slechte pizza ook).

Ik had de auto voor het hele weekend gehuurd en die zondag gingen we naar
`Universal Studios'. Het aardigste onderdeel hier was een rit van ongeveer
een uur door decors van bekende films en TV-series, afgewisseld met
`special effects' uit o.a. King Kong, Earthquake en Jaws. Nog meer
special effects, met name uit Back to the Future, waren te zien in een
aparte voorstelling. Het totaal viel me wat tegen: veel onderdelen deden
wat ouderwets aan, zoals een demonstratie geluidseffecten met technieken
uit de tijd van de radiohoorspelen! Ik had graag wat meer gehoord over hoe
heden ten dage een speelfilm gemaakt wordt, maar dat is waarschijnlijk naar
Amerikaanse smaak te educatief. Dus blijven ze teren op oude succesnummers.

De volgende dag hield ik een tweede, kortere lezing, waarna er weer ruim
tijd was voor discussie. Moeder was inmiddels na een ochtend rust ook
naar de universiteit gekomen, zodat we met z'n allen konden gaan lunchen.
Zo kon moeder ook eens kennis maken met mijn collega's.
De rest van die week wikkelde ik de zaken op de universiteit af, terwijl
moeder uitstapjes maakte, of in het zwembad van het motel lag. 

Op woendag
probeerde ik nogmaals de markt te bezoeken, wat nu wel lukte. Het was een
combinatie van een gewone markt met groente en fruit en een braderie met
allerlei soorten eten (Italiaans, Grieks, Thai, Chinees, etc.) en
kraampjes met souvenirs en andere prullaria die gewoonlijk in kadowinkels
verkocht worden. (Het woord `kadowinkel' suggereert al dat je wat er verkocht
wordt nooit voor jezelf zou kopen.) Ik heb er dus niets gekocht, maar het
was wel leuk om er rond te lopen. Moeder was die dag naar Disneyland geweest
(`de Efteling is leuker') en was pas vrij laat terug. Samen namen we de bus
naar het motel. 

Oorspronkelijk was het plan vrijdag (Goede Vrijdag) al naar Mexico
te vertrekken, maar door alle veranderingen werd dit zaterdag.
Vrijdagavond hadden we nog een afscheidsdinertje met Lars (W\l{o}dek was
al naar San Francisco vertrokken, waar hij de Paasdagen ging doorbrengen).
Het vliegtuig naar Los Mochis ging pas om drie uur 's-middags, dus we
hadden genoeg tijd om met het lokale openbaar vervoer naar het vliegveld
te rijden. We vertrokken om negen uur en waren er om half twee!
Maar zo zagen we nog wat van de omgeving en `downtwon LA'. (Dit was nog
twee weken voor de rellen n.a.v.\ de vrijspraak in het eerder genoemde proces.)

\Sec{Copper Canyon}
De vlucht naar Los Mochis blijkt niet zo direkt te zijn als we dachten.
Eerst vliegen we naar Loreto, een klein plaatsje op het schiereiland
Baja California. Daar moeten we uitstappen voor de douaneformaliteiten
(--controle is het woord niet). Vervolgens vliegen we over de baai en landen
we op het vliegveld Culiac\'{a}n. Hier stappen we uit, in de veronderstelling
dat dit de naam van het vliegveld van Los Mochis is. Dat is het niet:
Culiac\'{a}n ligt ten zuiden(!) van Los Mochis. Gelukkig worden we hierop
geattendeerd voordat het vliegtuig weer opstijgt. Na nog ruim een half uur
vliegen komen we aan in Los Mochis. (Hierna vliegt het vliegtuig weer terug
naar het zuiden: naar Mexico Stad.) Ik dacht dat we nu een uur te laat waren,
maar ook dat is een vergissing: Mexico heeft geen zomertijd.

We gaan vroeg naar bed, want de volgende ochtend moeten we al om half vijf
op. De `luxe' trein van Los Mochis naar Chihuahua vertrekt namelijk al om zes
uur 's-ochtends. Er is ook nog een langzamere trein (`mixto', d.w.z\ personen-
en goederenwagens) die een uur later vertrekt.
Een busje van het hotel zal ons om 5.20 uur naar het station brengen.

Door een kleinigheidje gaat het alarm van mijn horloge niet om half vijf af,
zoals gepland, maar gelukkig kijkt moeder om vijf uur even op haar horloge.
Oeps! Maar omdat we alles al zoveel mogelijk hebben ingepakt, staan we in
acht minuten beneden. Op het perron worden onze kaartjes gecontroleerd
en in orde bevonden, en toen mogen we de trein in. De trein is redelijk
schoon en ik heb voldoende beenruimte. Helaas is er ook airconditioning,
zodat de raampjes niet open kunnen. We vertrekken zowaar op tijd.

De eerste uren van de treinreis zijn niet zo bijzonder, maar daarna wordt
het terrein bergachtiger en beginnen we te klimmen en bochten te draaien.
Een paar keer steken we over een hoge brug een rivier over. Inmiddels
hebben zich bij de meeste raampjes in de deuren, die wel open kunnen,
groepjes fotografen ge\-vormd. Bij het meest spectaculaire punt van de lijn 
maakt een trein een zig-zag van ongeveer een kilometer, waarbij ook nog
een rivier gekruist wordt. Dit gedeelte van de lijn werd als laatste
voltooid; ter herinnering daaraan is er tegen de bergwand
een monument (X) opgericht.

\noindent
\begin{flushleft}
\hspace{1cm}\verb!       ======================================!

\hspace{1cm}\verb!     //                                      \\!

\hspace{1cm}\verb!    ||                                        \\!

\hspace{1cm}\verb!     \\                                      X \\    ! Chihuahua $\rightarrow$

\hspace{1cm}\verb!       ====================================      ================!

\hspace{1cm}\verb!                                           \\!

\hspace{1cm}\verb!                         ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~||~~~~~~~~~~~~~~~~~~~!

\hspace{1cm}$\leftarrow$ Los Mochis \verb!                               //!

\hspace{1cm}\verb!===========================================!\\
\end{flushleft}

Niet lang daarna komt de conducteur ons waarschuwen dat we uit
moeten stappen op het station van Posada Barrancas,
ons hotel, waar we nog net op tijd zijn voor de lunch. Ongeveer een half uur
lopen van het hotel ligt het volgende station, Divisaderos Barrancas, op de
rand van de Copper Canyon. Hier stopt de trein een kwartier, zodat ook
degenen die doorreizen even een blik in de canyon kunnen werpen.

Tarahumara indianen verkopen op het station souvenirs, maar ze zijn daarbij het
tegendeel van opdringerig: soms kost het moeite hun aandacht te trekken.
De luxe treinen uit Los Mochis en Chihuahua ontmoeten elkaar hier, zodat
90\% van hun handel in \'{e}\'{e}n kwartier van de dag geperst is.
De mixto's ontmoeten elkaar hier volgens de dienstregeling ook, maar in de
praktijk is meestal de \'{e}\'{e}n nog veel meer te laat dan de ander, zodat de
ontmoeting elders plaatsvindt.

Na een tamelijk koude nacht hebben we de hele volgende dag om de canyon te
verkennen. Vanaf het hotel lopen we in tien minuten naar een
uitzichts\-punt aan de rand. Het lijkt inderdaad nogal op de
Grand Canyon, alleen zijn de wanden hier wat minder steil, zodat we de bodem
niet kunnen zien. Het is daardoor niet zo moeilijk om een stukje
in de canyon af te dalen. Half onder een overhangende rots staat nog het
huis van een Tarahumara-indiaan, die iedere dag een tiental toeristen
voorbij ziet komen. Uiteraard zijn we niet tot aan de bodem afgedaald:
dat duurt acht uur, en terug naar boven twaalf! Bovendien is daarvoor een
gids nodig. Inderdaad wordt na zo'n anderhalf uur het pad wel erg steil,
zodat we besluiten niet verder te gaan en in plaats daarvan wat van het
uitzicht te gaan genieten. Ik ben in de zon gaan zitten en verbrand dus
prompt enigszins (niet al te erg, gelukkig). Na een paar uur lui gezeten
te hebben, klimmen we in twee etappes de canyon weer uit.

De volgende ochtend kunnen we het rustig aan doen, want de trein 
vertrekt pas weer om 13.40 (op tijd). Op het perron worden onze kaartjes
weer gecontroleerd door de conducteur, die inderdaad twee plaatsen voor
ons heeft gereserveerd (typisch is dat de reserveringen op naam gesteld zijn).
Bij Creel stapt een Duitse groep weer in, die tussen Los Mochis en
Divisaderos ook al bij ons in de trein gezeten heeft, maar die maar \'{e}\'{e}n
nacht in de Posada Divisaderos heeft gelogeerd. Het laatste deel van de
treinreis gaat weer door vlakker land. De avond begint te vallen, en na een
mooi oranje zonsondergang komen we om 20.50 uur in Chihuahua aan. Daar
worden we van het station afgehaald door een minibusje, dat ons naar ons
hotel brengt. De Duitse groep wordt met een grote bus naar hetzelfde hotel
vervoerd.

In Chihuahua zelf is niet zo veel te zien, maar ons vliegtuig vertrekt pas aan
het eind van de middag, dus gaan we toch maar de stad in.
Chihuahua is de geboortestad van Pancho Villa, en in zijn geboortehuis
is nu een museum over zijn leven gevestigd. Pancho Villa streed rond de
eeuwwisseling tegen het dictatoriale regime in Mexico. Zijn idealen
waren min of meer communistisch, en hij is dus in het huidige
Mexico\footnote{Mexico is niet streng communistisch, maar wel `links'. 
De touwtjes worden door de regeringspartij, de PRI, strak in handen
gehouden. PRI staat trouwens voor `Partij van de Institutionele
(of: geinstitutionaliseerde) Revolutie', een aardige paradox. De bedoeling
van de naam is waarschijnlijk iedere andere (contra-)revolutie bij voorbaat
uit te sluiten.}
een vrijheids\-strijder, anders was hij een bandiet (of in modernere
termen: terrorist) geweest. Uit de teksten in het museum (allemaal
uitsluitend in het Spaans) en uit de foto's bleek wel, dat hij en zijn
bendeleden geen lieverdjes waren. Zijn tegenstanders trouwens ook niet:
hij werd gedood bij een aanslag, waarbij zijn auto met kogels werd
doorzeefd (de auto, met kogelgaten, staat in het museum).

Halverwege de middag nemen we een taxi naar het vliegveld (bussen met het
opschrift `Aeropuerto' blijken bij navragen niet naar het vliegveld, maar
slechts tot de `Avenida de l'aeropuerto' te gaan). Op het vliegveld
horen we dat onze vlucht anderhalf uur vertraagd is, maar uiteindelijk
stijgen we niet meer dan een uur te laat op. Na een tussenlanding in
Guadalajara komen we om 21.50 uur aan in Mexico Stad. Hier hebben we
een kamer gereserveerd in een hotel van de `Best Western' keten.
Later die nacht vonden in Guadalajara de vreselijke explosies plaats,
die aan ongeveer 200 mensen het leven hebben gekost. Wij zagen het de
volgende ochtend aan de extreem grote koppen in de kranten, die we verder
bewust niet hebben geprobeerd te lezen.

\Sec{Mexico Stad}
Voor Mexico Stad hebben we drie dagen uitgetrokken. De eerste dag bleven
we in het centrum, rond de z\'{o}calo, het centrale plein. Het woord
`z\'{o}calo' betekent `sokkel'; het plein wordt zo genoemd omdat er jaren lang
een sokkel heeft gestaan zonder dat het geplande standbeeld er ooit kwam.
Haast iedere stad heeft zo'n centraal plein, en hoewel ze allemaal een
mooie offici\"{e}le naam hebben, worden die pleinen allemaal `z\'{o}calo'
genoemd. Aan de z\'{o}calo staat ook altijd de belangrijkste kerk van de stad,
de kathedraal van Mexico Stad maakt hierop geen uitzondering (hoewel \ldots).
Net even naast het plein is een stukje blootgelegd van de Azteekse stad
Tenochtitl\'{a}n, waar Mexico Stad overheen gebouwd is. In feite gaat het
hier om het topje van een grote piramide, met daarop de gebruikelijke
tempels.\footnote{In tegenstelling tot de Egyptische piramiden zijn de
Mexicaanse niet bedoeld als  grafmonument, maar als `fundering' voor tempels,
die zodoende dichter bij de hemel stonden.} 

's-Middags zien we op een ander pleintje de activiteiten van de
`schrijvers'. Vroeger hielpen ze analfabeten door brieven voor hen
voor te lezen of te schrijven, maar er zijn niet zoveel analfabeten meer
als vroeger (ofschoon alle metrostations in Mexico Stad naast hun naam
ook nog een pictografische aanduiding hebben). Tegenwoordig helpen ze de
mensen bij het invullen van formulieren. Daarnaast wordt er ook op
ambachtelijke wijze drukwerk vervaardigd, voornamelijk geboorte- en
huwelijksannonces.

Op onze tweede dag in Mexico Stad bezoeken we Teotihuacan, een
belangrijke archeologische zone 30 km.\ ten noorden van de stad.
Net als de spoorlijnen van Londen en Parijs beginnen de buslijnen
van Mexico Stad op verscheidene enorme busstations.
Bussen naar Teotihuacan vertrekken van een klein hoekje van het noordelijke
busstation, waar verder ook bussen naar alle denkbare steden in Noord-Mexico
vertrekken, tot en met de Amerikaanse grens.

De naam Teotihuacan is Azteeks, en betekent zoiets als `Waar de goden
mensen werden'. Hier staan de resten van een pre-Azteekse beschaving,
waarvan zelfs de naam verloren is gegaan. De Azteken woonden hier niet,
maar vereerden hier hun onbekende voorgangers. Er staan twee `kale'
piramides, de Piramide van de Zon en de Piramide van de Maan.
Het best bewaard gebleven is een wand van de tempel van Quetzalcoatl,
met een groot aantal sculpturen van de regengod. (In Mexico is altijd
genoeg zon, maar zelden genoeg regen. Daarom werd in alle culturen de
regengod het meest afgebeeld).  

Tegen het eind van de middag komt er een onweersbui opzetten. Net wanneer
ik van de Piramide van de Zon afdaal vallen de eerste druppels.
Alle toeristen verschuilen zich in de souvenirwinkeltjes, die daarna
hun luiken sluiten, omdat de opstekende wind grote stofwolken opjaagt.
Na een paar minuten gaat de wind weer liggen, en ook de regen wordt
al gauw minder. Zulke buien komen in dit seizoen wel vaker voor; we
hebben hierdoor in ieder geval geen last gehad van de beruchte smog. 
De avond begint al te vallen als we in Mexico Stad terugkomen, maar
we willen toch nog even naar de in het noordelijk stadsdeel gelegen
basiliek van de Madonna van Guadalupe gaan kijken. 

Aan het eind van de zestiende eeuw kwam een boer aan de bisschop van
Mexico vertellen dat hij een verschijning van Maria had gezien, en dat
er op die plaats een kerk gebouwd moest worden. De bisschop wilde hem
eerst niet geloven. Toen de boer op de bewuste plek terugkwam, ontdekte
hij dat er ineens rozen groeiden, die er voorheen niet waren. Hij nam
de rozen mee in zijn mantel als `bewijs' voor de bisschop, en toen hij
zijn mantel openvouwde bleken de rode vlekken van de rozeblaadjes de
beeltenis van Maria gevormd te hebben. Na dit wonder werd er natuurlijk
wel een kerk gebouwd, er werd de plaats het belangrijkste pelgrimsoord
van Mexico.

Zo rond 1950 vond men dat de oude kerk te klein en vooral te
bouwvallig was geworden. Er werd een nieuwe, moderne basiliek gebouwd.
Toen deze klaar was dacht men de oude kerk te slopen door er een
stevige bom in te laten ontploffen. Kennelijk was de kerk niet zo
bouwvallig als iedereen dacht, want de bom richtte geen noemenswaardige
schade aan. Hierna was verdere sloop natuurlijk uitgesloten.

Opvallend aan de nieuwe basiliek is de ronde vorm van de hoofdruimte en
de sobere uitvoering ervan, zo zijn er bijvoorbeeld geen heiligenbeelden.
De mantel van de rozevlekken, nu met een beschildering van de Madonna,
hangt als relikwie achter en boven het altaar. Tussen het altaar en het
schilderij loopt een gang, vanwaar de Madonna aanbeden kan worden zonder
in de kerk zelf te komen. Voor het probleem dat de gelovigen te lang in
deze gang bleven staan en zodoende een opstopping veroorzaakten, is
een moderne oplossing gekozen: door de gang lopen nu vier rolbanden!
Dit is niet het enige voorbeeld van een aanpassing van het geloof
(of liever gezegd: van de geloofsuitingen) in
Mexico aan de moderne tijd. Zo zagen we in meerdere bussen kruisbeeldjes
met daarin afwisselend oplichtende rode en groene lampjes. 

Onze laatste dag in Mexico Stad begint met het nemen we de bus, of liever
gezegd de `collectivo', een kruising tussen een taxi en een bus. Ze
rijden een vaste, begrijpelijke route, meestal een belangrijke doorgaande
weg af, in ons geval de `Reforma'. De belangrijkste stops zijn op de
voorruit gekalkt. Een dienstregeling is er niet, maar met een frequentie
van zes per minuut is dat geen bezwaar. De halte is waar je staat,
respectievelijk waar je eruit wilt. De prijs is vast, en ligt iets hoger
dan die van de offici\"{e}le stadsbus, maar niet veel. Je betaalt kontant
en krijgt geen kaartje. Ik neem aan dat de chauffeur het busje huurt en
de ritprijzen daarna zelf mag houden.

Wij nemen dus de collectivo over de `Reforma' naar de `Zona Rosa'. Dit is
niet wat u nu denkt, maar een wijk met kantoren, de betere restaurants,
etcetera. Ons eerste doel is het postkantoor, waar we onze briefkaarten
versturen. Ze zijn nog net iets eerder dan wij zelf in Nederland
aangekomen. Even verderop begint het Chapultepecpark. Op een heuvel in het
park staat een gebouw dat nog als koninklijk paleis heeft dienst gedaan.
In de vijver van het park wordt geroeid, net als in Madrid.

In het park staat ook het archeologisch en etnografisch museum, met de
belangrijkste vondsten uit heel Mexico. Als je wilt, kun je hier dagenlang
zoet zijn, maar dat is wel dodelijk vermoeiend. We hebben dus een selectie
gemaakt uit de culturen waarvan we op onze verdere reis de resten zouden zien.
De gemiddelde Mexicaan heeft waarschijnlijk een jaar nodig om het museum
door te komen, want een Mexicaan heeft een museum pas bezocht als hij alle
bijschriften heeft overgeschreven! Wij zagen dit in bijna alle musea, en
bij alle leeftijden, vanaf drie jaar (goed, dat kind kon nog niet schrijven,
maar het deed wel alsof). Groepen schoolkinderen krijgen dan ook nog 
de rondleiding op dicteersnelheid, waarbij de onderwijzer iemand die even
niet schrijft meteen op de vingers tikt. Buiten het museum is die dag een
demonstratie van Indiaanse dansen, met o.a.\ een groep uit Alaska.
Ze hebben prachtige kostuums, maar wanneer het aan het eind van de middag
weer begint te regenen, moeten ze dus allemaal het museum in vluchten.

Terwijl moeder alvast gaat pakken loop ik nog even naar het station.
Er is maar \'{e}\'{e}n station, maar dat is ook ruim voldoende voor de weinige
treinen die nog rijden. Voorstadsverkeer is er al helemaal niet.
De perrons zijn afgesloten, en alleen toegankelijk als er een trein
aankomt of vertrekt. Hoewel mijn taalgidsje Spaans er oud genoeg voor is,
staat het woord `perronkaartje' er niet in. `Spoorboekje' wel, maar dat
is niet te koop. De informatiebalie---bemand door een oudere heer die
volstrekt niets doet, en een jongere die naar een radio luistert, de
jongere spreekt wel een beetje Engels---beschikt slechts over \'{e}\'{e}n vel
papier met daarop alle treinen van en naar Mexico Stad. Aangezien die
informatie ook op een groot bord boven hun hoofd leesbaar is, is hun nut
beperkt. Op het bord is trouwens duidelijk te zien dat er kort geleden
een aantal treinen is opgeheven: de plaatsnamen staan er nog, maar de
tijden en treinnummers zijn weggehaald.

's-Avonds wordt er op de put op de binnenplaats van het hotel een plankier
gelegd, waarop flamengo-achtige dansen worden opgevoerd, begeleid door
`levende' muziek. Het hotel zelf is trouwens een zwaar gedecoreerd,
zeventiende-eeuws Spaans gebouw. De kamers liggen rond de binnenplaats,
afgeschermd van het straatlawaai. Omdat het dansen niet zo laat ophoudt,
zijn we de volgende ochtend al redelijk vroeg klaar om naar Puebla te
vertrekken. Natuurlijk moeten we eerst nog wel even het hotel betalen.
Dat geeft een probleem: het bedrag wordt niet vrijgegeven. (Later blijkt
dat de administratie van de credit card maatschappij om onduidelijke
redenen vond, dat ik al aan mijn krediet-limiet zat, terwijl ik er in
feite nog duizend gulden onder bleef.) Nadat de hotelhouder een half uur met
een Mexicaanse bank heeft gebeld, is het probleem `opgelost'.

Daarna kunnen we met de metro naar het oostelijke busstation van Mexico
Stad vertrekken om de bus naar Puebla te nemen. De maandag\-ochtend\-spits
is inmiddels begonnen, en het is behoorlijk vol in de metro. Toch wordt
er niet geprobeerd iets van ons te stelen.
Gelukkig is het maar twee uur rijden naar Puebla, en gaat er ieder
kwartier een bus, zodat het onverwachte oponthoud geen problemen geeft.
In Puebla vinden we een redelijk hotel vlak bij het busstation aan de
noordrand van de stad.

\Sec{Puebla en Cholula}
Met de stadsbus rijden we naar de z\'{o}calo. Kennelijk had ik de vorige
avond op de binnenplaats toch een trui aan moeten trekken, want eenmaal
op de z\'{o}calo aangekomen komt dezelfde hardnekkige verkoudheid, die me in
Riverside ook al geplaagd had, weer opzetten. Terwijl ik op een terrasje
zit, loopt moeder nog even het plein rond, en daarna besluiten we een taxi
terug naar het hotel te nemen, waar ik meteen in bed kruip. Van Puebla
hebben we dus niet zo veel gezien, maar het enige wat we daaraan gemist
hebben is een hoeveelheid Spaanse kerken. En 's-middags begon het weer te
regenen.

's-Avonds dineren we natuurlijk in het hotel. We eten de plaatselijke
specialiteit: kip met `mole Poblano', een chocoladesaus. Bijzonder, maar
nou niet om over naar huis te schrijven. (Wie nu opmerkt dat ik dat nu juist
wel doe, verwijs ik naar de inleiding.) Bij het betalen blijkt dat
het probleem met de credit card helemaal niet opgelost is. Natuurlijk
hebben we nog genoeg kontanten om het diner te betalen (ofschoon een fles
Rioja de rekening verdubbelt), maar niet om de hele rest van de reis mee
toe te kunnen. De volgende ochtend dus naar Nederland gebeld: ze zouden
het uitzoeken, of ik over een half uur nog maar eens wil terugbellen
(collect call, uiteraard). Dat wil ik wel, maar dan is het inmiddels
na zes uur (Nederlandse tijd), en het telefoonnummer dat op de credit
card vermeld staat is dus {\em niet} 24 uur per dag bereikbaar. Toch heeft
het probleem zich hierna niet meer voorgedaan, waarschijnlijk omdat op die
datum de tot dan toe opgebouwde rekening van mijn giro werd afgeschreven,
zodat de teller weer op nul stond.
Natuurlijk kostte dit alles nogal wat tijd, maar we hadden vanwege mijn
verkoudheid toch al besloten het nog een dagje rustig aan te doen, en ook
het programma leende zich daartoe.

Een paar kilometer van Puebla verwijderd ligt Cholula. Hier staat de grootste
piramide ter wereld. Maar in eerste instantie heb ik meer oog voor de
goederentrein, die aan de voet van de piramide aan het rangeren is. Na
een kwartier vertrekt de trein, en kunnen we de piramide beklimmen.
Omdat slechts een klein deel ervan is blootgelegd en gerestaureerd, lijkt
de piramide een gewone heuvel. Bovenop staat een kerk, die de
Spanjaarden hebben gebouwd van de stenen van de daartoe gesloopte
oorspronkelijke tempel. Archeologen hebben door de basis van de piramide
een gang geboord, om de interne structuur te onderzoeken. Hier is goed te
zien hoe de tempel laag voor laag is opgebouwd: iedere 52 jaar werd er
over de bestaande piramide een nieuwe gebouwd. De gids sprak geen Engels,
maar een groepje van twee Mexicanen en twee Amerikanen bracht uitkomst.

Naast die op de piramide staan er in Cholula nog veel meer kerken.
Sommige legenden beweren dat het er 365 zijn, maar in feite staan er in
Cholula zelf niet meer dan 30, en in de hele vallei zo'n 100. Aan de
z\'{o}calo van Cholula staan er drie; \'{e}\'{e}n daarvan vertoont gelijkenis
met de beroemde kerk (ex-moskee) van C\'{o}rdoba. We kunnen de ingang niet
vinden, maar een paar hulpvaardige autochtonen wijzen ons een klein, bruin
belletje op een bruine deur. Het lijkt of er op ons bellen niet wordt
gereageerd, maar net als we de moed opgeven horen we wat gestommel en gaat
de deur open. De gelijkenis is er inderdaad, alleen heeft C\'{o}rdoba
dubbele bogen, terwijl deze enkel zijn. Net wanneer we de kerk uitkomen
begint er een plensbui, waarvan we het einde op een terrasje onder de arcaden
van de z\'{o}calo afwachten.

Van mijn verkoudheid heb ik verder weinig last meer gehad, ofschoon ik
wel de rest van de reis een grote doos Kleenex heb verbruikt.
De volgende dag is trouwens ook niet bepaald inspannend: een busrit
van Puebla (9.00) naar Oaxaca (18.00). Er gaat ook een dagtrein, maar die
doet er elf uur over en vertrekt om 6.40 (de nachttrein uit Mexico Stad
is sneller). De buschauffeur speelt wat cassettebandjes, en als hij op
een ogenblik geen keus lijkt te kunnen maken, schuif ik hem mijn bandje
van Michel Sardou toe, wat hij vervolgens draait. Helaas heb ik mijn
bandje met muziek van de Canarische eilanden niet bij me.
De rit voert door een woestijnachtig landschap, met hier en daar steil
rechtop staande cactussen. Het laatste deel van de route stijgt scherp,
zodat we nogal wat bochten moeten draaien. Het hotel bij het busstation
is vol, zodat we maar een taxi naar de z\'{o}calo nemen, en daar een hotel
zoeken en vinden. 

\Sec{Oaxaca}
De belangrijkste bezienswaardigheid van Oaxaca ligt een aantal kilometers
buiten de stad: de ru\"{\i}nes van Monte Alban. We zijn die dag toevallig vroeg
op en nemen zodoende de eerste bus erheen (8.30). Deze bus wordt voornamelijk
gebruikt door alle verkoopsters van souvenirs, die eenmaal boven in
recordtijd worden uitgestald. Het complex zelf bestaat uit een aantal graven,
piramides, paleizen, een balspeelveld en een `observatorium', waarvan de
reisgids slechts weet te melden dat `op bepaalde dagen, bepaalde sterren
in een bijzondere positie ten opzichte ervan staan'. Een aantal stenen
met inscripties toont duidelijk het gebruikte talstelsel, gebaseerd op de
grondtallen 5 en 20. Een schoolklas krijgt zoals gewoonlijk al deze feiten
en nog veel meer gedicteerd. Hierbij wordt i.v.m.\ een put vermeld dat op
8 mei de zon recht boven Oaxaca staat (het is inmiddels 29 april).
Om twee uur nemen we de bus terug; de rest van de middag zttten we op het
terras van het hotel.

Naast Monte Alban hebben de Zapoteken en Mixteken nog een aantal kleinere
bezienswaardigheden rond Oaxaca opgeleverd, waarvan we er twee bezochten:
Mitla en Yagul. De tweede klas bussen naar Mitla rijden vrij frequent en
stoppen op de hoofdweg bij de zijweg naar Yagul. Door eerst naar
Yagul te gaan kunnen we heen deze twee kilometer lange zijweg tijdens de
relatief koele ochtenduren lopen. Bovendien staat in onze reisgids dat de
`man met de sleutels van de graven' vaak al om drie uur naar huis gaat, ook
al sluit het geheel pas om vijf of zes uur. Boven gekomen---Yagul ligt tegen
een heuvelrug, met net als op Monte Alban een weids uitzicht---zit er
inderdaad een man in het lokethokje. Hij verkoopt wel kaartjes, maar blijkt
niet `de man met de sleutels': die komt pas om \'{e}\'{e}n uur 's-middags,
beweert hij. Daar hebben we niet op gewacht, temeer daar we begonnen
te betwijfelen of `de man met de sleutels' eigenlijk ooit komt. Gelukkig
is er naast de graven nog wel wat meer te zien, hoewel Yagul niet groot is.
Het is daardoor juist wel overzichtelijk, als je tenminste lang genoeg bent
om over de 1,75 meter hoge muren van het paleis heen te kijken.

Van Yagul lopen we terug naar de hoofdweg, waar we na enige tijd 
worden opgepikt door de bus naar Mitla. In het restaurant waar we even wat
drinken, is ook een klein museum over de opgraving van Mitla gevestigd.
In Mitla zien we voor de eerste keer echt mooie reli\"{e}fs op de muren.
Deze zijn niet in de steen uitgehakt, maar apart gemaakt en `opgeplakt'.
Het is ook de eerste opgraving met bijschriften in het Engels.
In een soort kelder onder \'{e}\'{e}n van de paleizen staat de `pilaar
des levens'. Het is een dikke steunpilaar waar je je armen omheen moet
slaan om uit te kunnen rekenen hoe lang je zult leven. Hoe dan? Tja, die
`kennis' is helaas verloren gegaan. Zoals wel vaker hebben de Spanjaarden
midden tussen de paleizen een kerk neergezet.

Teruggekomen uit Mitla hebben we nog genoeg tijd over om even naar het
station van Oaxaca te lopen. Hoewel de eerstvolgende trein, de nachttrein
naar Mexico Stad, pas over twee uur vertrekt, zitten de reizigers al
met enorme hoeveelheden bagage te wachten. Als souvenir heb ik een niet meer
bruikbare spoorspijker meegenomen.

Uiteraard is 1 mei een belangrijke feestdag in Mexico, die gevierd wordt
met parades en toespraken. Zo ook op de z\'{o}calo van Oaxaca, waar een
zanger met gitaar (en vooral met versterkers) het opnemt tegen
voorbijmarcherende fanfares. Dat het resultaat niet om aan te horen is kan
niemand kennelijk iets schelen. Ondanks de feestelijkheden rijden de
interlocale bussen normaal, zodat we om twaalf uur naar Juchit\'{a}n kunnen
vertrekken, waar we om vijf uur aankomen.

\Sec{Juchit\'{a}n}
In Juchit\'{a}n is niets te beleven. Ons volgende reisdoel is Tuxtla
Gutierrez, maar ofschoon er wel een rechtstreekse bus van Oaxaca naar
Tuxtla gaat, schrokken we ervoor terug deze busrit van elf uur in \'{e}\'{e}n
keer te maken. Juchit\'{a}n ligt aardig halverwege in de Isthmus van
Tehuantepec, het smalle deel van Mexico dat voor de aanleg van het Panamakanaal
een belangrijke verkeersfunctie had. Volgens de reisgids is er een hotel
gevestigd in het busstation. Dat klopt, het duurt alleen even voor
we ontdekt hebben dat de receptie van het hotel is vermomd als de
snackverkoop van het busstation. De kamer die we krijgen is goedkoop en
z'n geld niet waard: er is geen raam, maar na enig frunniken gaat de lamp
aan. De airco doet het meteen, maar maakt een hoop kabaal. Het is zo heet,
dat het feit dat de douche geen warm water biedt er niet veel toe doet.

Aangezien de kamer dus niet veel te bieden heeft, lopen we het stadje maar in.
Dat is voornamelijk stoffig. We lopen al gauw tegen de spoorlijn aan, en
omdat moeder ook niets beters weet voor te stellen lopen we daarlangs naar
het station. Het is kwart over zes, en volgens mijn spoorboekje moet om half
zeven een trein vertrekken. In Mexico betekent dat, dat je je niet hoeft te
haasten. Toch zien we uit de verte al enige activiteit in het station, en
als we nog op ongeveer 500 meter zijn vertrekt een trein in onze richting,
bestaande uit zowel personen- als goederenwagens. Op het station gekomen
blijkt, dat volgens de laatste dienstregeling deze trein om 17.10 uur had
moeten vertrekken. Er is ook nog een wat luxueuzer hotel in Juchit\'{a}n,
waar we kunnen eten. De ansicht die we er postten kwam een paar weken
na ons in Nederland aan.

De bus naar Tuxtla zou pas weer om twaalf uur vertrekken, zodat we nog een
ochtend in Juchit\'{a}n doorbrengen. Volgens de reisgids moet er
ergens een soort schilderijenmuseum(!) zijn. We vragen ernaar en komen
niet geheel verrassend uit op de z\'{o}calo. Daar staan aantrekkelijke
bankjes, vanwaar we uitzicht hebben op een levendige markt. Een bankje
verderop heeft een kwakzalver enkele exotische dierenresten uitgestald,
waarvan als je hem moet geloven pillen tegen van-alles-en-nog-wat gemaakt
zijn, die hij voor goed geld verkoopt. Naar het schilderijenmuseum hebben
we verder niet gezocht.

Terwijl moeder daar wat blijft puzzelen loop ik naar het station om de trein
in de andere richting te zien (meer dan twee treinen per dag komen er niet),
die om tien uur 's-ochtends hoort te vertrekken. De stationschef vertelt
me desgevraagd dat die trein minstens twee uur vertraging heeft: te veel om
er op te wachten. Als ik een foto van het station wil nemen, wordt ik dringend
gewenkt door twee mannen voor een huis aan de overkant van het spoor.

Ze nodigen me uit binnen te komen om een kruis te fotograferen, dat ze ter
gelegenheid van de 1 mei-viering(?) met bloemenslingers hebben versierd.
Daarna halen ze een deel
van de versiering weg, zodat ik ook de tekst op het kruis kan lezen: `Santa
Cruz de los Salineros'. Wat `salineros' zijn had ik niet precies geweten,
maar het is duidelijk dat het met zout te maken heeft. Het huis is namelijk
geen huis, maar een soort fabriekje, waar zoutkristallen fijn gemalen worden.
Achter het huis liggen grote bergen grof zout. Dit wordt in zakken geschept
(op de zakken staat `azucar', suiker!), naar binnen gedragen en door een
trechter in een maalinstallatie gegooid. Daaronder wordt het gemalen zout in
een andere zak opgevangen. Natuurlijk maakt het werken met zout dorstig.
Er staat dan ook een grote kuip met ijsblokken en kleine flesjes zoet,
alcoholarm bier, waarvan ik er \'{e}\'{e}n aangeboden krijg. Het wordt
langzamerhand tijd om te vertrekken, maar eerst wordt er nog een vuurpijl
afgestoken ter gelegenheid van mijn bezoek. Ik krijg een bloemenslinger mee.

De bus naar Tuxtla is geen `locale', maar een `de paso'. Dit betekent
eenvoudig dat de bus niet in Juchit\'{a}n begint, maar ergens anders
vandaan komt. Voor ons betekent het vooral dat we pas een half uur voor de 
bus vertrekt kaartjes kunnen kopen: dan pas is het bekend welke zitplaatsen
nog vrij zijn. Theoretisch is het mogelijk dat de bus vol is, maar de
lokettiste verzekert ons dat dat in de praktijk op deze lijn niet voorkomt.
Dat klopt. Net als twee Amerikanen krijgen we eerst nog kaartjes voor San
Cristobal, een meer gebruikelijke bestemming voor toeristen 85 km.\ voorbij
Tuxtla, maar ook deze fout wordt hersteld. De rit zelf is weinig bijzonder,
en om vijf uur komen we aan in Tuxtla Gutierrez. Het busstation is in het
centrum en we vinden snel een hotel met uitzicht op de z\'{o}calo.
Tuxtla is de jonge hoofdstad van de provincie Chiapas. De kathedraal op de
z\'{o}calo is dan ook modern, maar in tegenstelling tot de basiliek van
Guadalupe klassiek van opzet. Rond de kerk wordt een markt gehouden, waar we
twee cassettebandjes met Indiaanse muziek kopen.

\Sec{Sumidero Canyon}
De reden voor onze stop in Tuxtla ligt zo'n tien kilometer verderop: de
Sumidero Canyon. Eerst neem je de bus naar Chiapa de Corzo, en daar stap
je over op een bootje dat door de canyon vaart. In de reisgids staat dat je
het beste vroeg in de ochtend kan gaan. Je moet dan maar hopen dat er al
voldoende toeristen zijn om een bootje vol te krijgen. Daarom hebben we 
met de Amerikanen uit Juchit\'{a}n om acht uur bij de bus naar Chiapa
afgesproken. Wij zijn er om tien voor acht, maar zij komen niet opdagen.
We zien wel iedere vijf minuten een busje naar Chiapa vertrekken. Om kwart
over acht geven we het op. Nadat we in Chiapa over de z\'{o}calo naar de
kade zijn gelopen, vinden we daar de Amerikanen. Ze zijn naar het verkeerde
busstation gegaan, hebben hun fout daar ontdekt en zijn toen onderweg op
\'{e}\'{e}n van de busjes gestapt die wij hadden zien vertrekken. Enfin, ze
hebben in Chiapa op ons gewacht en zelfs al een voldoende grote groep
toeristen verzameld om een bootje te huren. Voor een boottocht van twee uur
betaalden tien personen ieder 15.000 pesos (9 gulden).

Meestal zijn rivieren door een nauwe canyon als deze niet bevaarbaar, maar
aan het einde van deze canyon is een stuwmeer gebouwd, zodat de rivier nu
voldoende diep en heel rustig is. De canyon is lang niet zo groot als de
Grand Canyon, maar toch wel een paar honderd meter hoog. De tocht lijkt wel
wat op een boottocht door een Noorse fjord. Onderweg zien we bijzondere
rotsformaties, een kleine grot, een paar beeldjes op een rotsrichel en
heel veel vogels.

Voor we terug gaan naar Tuxtla drinken we nog wat bij een restaurant aan
de haven. Als het op betalen aankomt wordt mijn briefje van 20.000 pesos
echter niet geaccepteerd. Ik heb dat biljet die ochtend als wisselgeld
teruggekregen van de botenbaas, en het heeft duidelijk een keer in het water
(of de wasmachine) gelegen. Na enig geworstel (met m'n Spaans, niet met
de botenbaas) krijg ik er een ander voor in de plaats. E\'{e}n van
de schippers merkt op dat er al eerder problemen met precies dat biljet
zijn geweest. Waarschijnlijk blijven ze het net zo lang proberen tot een
keer een toerist het meeneemt en te laat ontdekt dat het nergens geaccepteerd
wordt.\footnote{Ik vraag me af wat ze in India met zo'n geval zouden doen.
De meeste briefjes zien er daar uit of ze zo uit je portemonnaie kunnen
weglopen. Vaak worden ze op pennen geprikt bewaard, zodat sommige
rijksdaalder-grote gaten hebben. Dat is allemaal geen probleem. Maar 
een scheurtje, hoe klein ook, in de {\em rand} van een biljet maakt het
ongeldig.}

We nemen het busje terug naar Tuxtla en stappen daar uit waar volgens onze
gids busjes naar de bovenkant van de canyon moeten vertrekken. Die busjes
blijken echter niet meer te rijden, zodat we het met een taxibusje proberen.
Wanneer we halverwege even bij een uitzichtspunt stoppen, blijkt de canyon
inmiddels aardig vol nevel te hangen (de reisgids raadde niet voor niets aan
vroeg in de ochtend te gaan). Dus keren we tot spijt van de taxichauffeur
maar om. De rest van de middag doen we het rustig aan in Parque Madero,
een park met een---slecht onderhouden---botanische tuin en een kinderpark
met `een beknopte geschiedenis van Mexico': een paar dinosauri\"{e}rs,
een model van Palenque, een diorama van de landing van de eerste Spanjaarden,
een aquaduct (Spaanse tijd), de onafhankelijkheid en de revolutie.
's-Avonds is er buiten, voor de kathedraal, een kerkdienst. Na afloop wordt
er haast gevochten om de heiligenprentjes die worden uitgedeeld.

\Sec{San Cristobal de las Casas}
Van Tuxtla Gutierrez naar San Cristobal de las Casas is het 85 km.\
oostwaarts en 2 km.\ omhoog. De bus doet daar twee uur over. We vinden een
redelijke kamer in `Hotel Capri'.\footnote{In Milaan logeerde ik in `Hotel
Verona', in Porto in `Hotel de Paris' en in Lissabon in `Hotel Bern', maar
deze hotelhouder heeft het wel erg ver gezocht. Alleen in Helsinki logeerde ik
in `Hotel Helsinki', maar daarover meer in een latere nieuwsbrief.}
San Cristobal wordt erg aangeraden: hier leven de `echte' Indianen,
de afstammelingen van de Maya's. Dat is ook zo, alleen heeft het toerisme
ze aardig bedorven. De kinderen die polsbandjes en kleifiguurtjes
verkopen zijn opdringerig en vasthoudend. De vrouwen verkopen grote geweven
doeken. Niet geheel onbegrijpelijk waren ze vroeger bang voor
fototoestellen: ze dachten dat deze apparaten hun `ziel zouden stelen'.
Kennelijk hebben de eerste toeristen hen toen met geld overreed. In ieder
geval claimen ze nog steeds bang te zijn, maar voor 5000 pesos (3 gulden)
verdwijnt die angst als sneeuw voor de zon. 

Omdat we San Cristobal vrij snel gezien hebben, besluiten we met een collectivo
naar een `echt' indianendorp 10 km.\ verderop te gaan. Voor we daar de kerk
in mogen, moeten we eerst toegangskaartjes halen bij een kantoortje.
In de kerk is duidelijk te zien hoe de oude Maya-godsdienst en het
katholicisme vermengd zijn: vroeger bad men tot de god van de regen,
tegenwoordig tot de daarvoor aangewezen heilige.
De kerk bestaat uit een grote ruimte, zonder
pilaren. Er staan geen banken, maar op de grond liggen dennenaalden,
waarvan de geur zich met die van wierook vermengt.
Langs de muren staan heiligenbeelden in glazen kasten; op de grond ervoor
honderden kaarsen. Er wordt luidkeels gebeden, helaas in een voor ons
onverstaanbare Indiaanse taal. Ergens zit een hele familie; de ouders
bidden tot een heilige en steken kaarsen aan, terwijl de kinderen meer
aandacht hebben voor de meegebrachte zak chips.

Fotograferen in de kerk is ten strengste verboden. Het verhaal gaat, dat
twee Amerikanen die bleven fotograferen na herhaalde waarschuwingen zijn
gelyncht. Buiten de kerk mag het wel, maar niet bij een godsdienstig
ritueel dat bij een kapelletje aan de gang is. De precieze betekenis van het
ritueel werd ons niet duidelijk, maar het leek erop dat twee lange stokken
gezegend werden, door eronder twee wierookvaten te slingeren. Daarbij wordt
muziek gemaakt op twee indiaanse harpen, een gitaar en een kleine accordeon.
Alle Indianen zijn in klederdracht. De kinderen hebben grote belangstelling
voor ons, vooral nadat moeder wat ballonnetjes en een speelgoedautootje
heeft uitgedeeld. Ons gebaren van `op' begrijpen ze niet, of willen ze niet
begrijpen. Eigenlijk willen ook de kinderen niet op de foto, maar als
moeder wat snoep voor de dag haalt terwijl ik met de camera klaar sta,
hebben ze een probleem. De uitkomst laat zich raden \ldots

Zo lang we zitten te wachten tot de collectivo genoeg klanten voor
de terugtocht heeft verzameld bedelden de kinderen om een ballon of 1000 pesos.
Een Amerikaanse met haar dochter van een jaar of elf voegt zich bij ons.
Haar man werkt in Mexico Stad, en zij zijn nu een rondreis van een maand
aan het maken. Ze reizen in dezelfde richting als wij en tot in Merida
zullen we ze regelmatig tegenkomen. Uiteindelijk stappen er nog wat
klanten in en we rijden terug naar San Cristobal. Op de markt kopen we
nog wat eten: appels, ananas en een maiskolf met boter en pikante saus.
Het restaurant van het hotel doet de naam eer aan door een typisch
italiaanse maaltijd te serveren.

\Sec{Palenque}
Onze volgende bestemming is Palenque. Volgens de reisgids gaan hier alleen
tweede klas bussen heen, maar recent is er een eerste klas bus bij gekomen.
Het is zelfs een `Servicio Plus', wat betekent dat de gordijntjes voor de
ramen groter zijn, en dat er tijdens de rit een videofilm vertoond wordt:
`King Kong'. Naar buiten kijken mag gelukkig ook; niemand kijkt naar de film.
Het eerste klas busstation in Palenque bestaat uit een tafel in een
restaurant langs de weg, waar we om twee uur 's-middags aankomen.
Er gaat hiervandaan een bus naar Merida: om \'{e}\'{e}n uur 's-nachts!
De aankomst in Merida is dan om acht uur 's-ochtends. Hoewel het een `de paso'
is, heeft de halte Palenque het recht om vijf (!) plaatsen te bespreken,
helemaal achterin de bus. De Amerikaanse met haar dochter boekt er meteen twee.
We nemen geen risico, en boeken ook twee plaatsen. Even later ontdekken twee
Duitsers (?) dat ze een probleem hebben \ldots. Later informeren we nog bij
het tweede klas busstation, maar ook daarvandaan gaat alleen een nachtbus,
om 21.30 uur.

We logeren in hotel `Misol Ha', genoemd naar een waterval 22 km.\ verderop.
De ru\"{\i}nes staan pas voor de volgende dag op het programma, en in het
dorp zelf is absoluut niets te beleven (het station ligt op ruime afstand), dus
nemen we een taxi naar die waterval. Een tropisch paradijsje. Het water valt
over een overhangende rots in een meertje, en het is mogelijk er achterlangs te
lopen. Het is een vrije dag (\mbox{5 mei}, herdenking van de slag bij Puebla)
en een tiental Mexicanen zit rond het meertje. Rond een uur of vier beginnen
ze te vertrekken en we krijgen gemakkelijk een lift terug.

Volgens de reisgids kan men de ru\"{\i}nes van Palenque het best vroeg in de
ochtend bezichtigen. We staan dus om acht uur voor de ingang. De meeste
ru\"{\i}nes liggen niet echt in het oerwoud, maar op een grasvlakte.
Daaromheen is wel oerwoud, maar niet erg dicht. Om de ergste warmte voor te
zijn, beginnen we met het beklimmen we de Piramide van de Inscripties.
Hierin bevindt zich het graf van Pakal. Dit is het enige graf in een
piramide in Mexico; vermoedelijk is het graf ouder, en is de piramide
daar later overheen gebouwd, waarbij een trap naar het graf open bleef.
Het stenen grafdeksel is namelijk te groot om door het trapgat te kunnen
(anders had het nu in het museum in Mexico Stad gelegen).
Het licht op de trap is uitgevallen, maar gelukkig hebben we een
zaklantaarn bij ons. 

Naast de piramide ligt op een terras het paleis, met o.a.\ een toren, welke
een observatorium geweest moet zijn (`op bepaalde dagen, bepaalde sterren%
\ldots'). We klauteren het graf uit, de piramide af, het paleis in en de
toren op, en merken dat het al aardig warm begint te worden.
In het paleis zijn muurtegels met voorstellingen, waaronder de kroning van
Pakal door zijn moeder. Onder het paleis zijn uitgebreide catacomben
(het licht doet het inmiddels weer).
Een paar kleinere tempels liggen aan de overkant van een (ook toen al)
gekanaliseerd riviertje. Een stevige, afgeplatte boomstam fungeert als
brug. E\'{e}n van de tempels staat op een pas gedeeltelijk uitgegraven
piramide. Hieraan wordt nog gewerkt. Tijdens de klim naar weer een
ander tempeltje, waarvan dankzij het verdwijnen van de voorkant de
dakconstructie goed zichtbaar is, komen we een kleine slang tegen.

Om een uur of elf---het begint dan serieus warm te worden---moeten we een
beslissing nemen: blijven we de rest van de dag hier, of vertrekken we?
Het alternatief is aantrekkelijk: even in het hotel de zwempakken ophalen
en dan de bus van twaalf uur naar Agua Azul nemen. Agua Azul bestaat uit
een serie watervallen met onderaan (en ook bovenaan, maar wel oppassen!)
uitstekend zwemwater ($23^{\circ}$C). We hebben de meeste tempels van Palenque
nu wel gezien en besluiten dus te vertrekken. De bus naar Agua Azul stopt eerst
nog een half uur bij Misol Ha, waar we lunchen. Om kwart voor vijf gaat de bus
weer terug en om zes uur zijn we in het dorp. We eten in het restaurant dat
als busstation dienst doet. Daar zitten we ook de rest van de avond en spelen
bezique\footnote{kaartspel}. Even na middernacht komt de bus aan. De
chauffeurs en de passagiers stappen uit om wat te eten of te drinken.
We vertrekken even na \'{e}\'{e}n uur. De bus is zo goed als vol.
Ik slaag er zowaar in een paar uur te slapen; om kwart voor negen komen we
in Merida aan.

\Sec{Merida en omgeving}
Doordat we gedwongen waren de nachtbus te nemen, hebben we nu een dag in
Merida `over', zodat we rustig de stad kunnen bekijken (en een si\"{e}sta
kunnen houden om het slaaptekort van de afgelopen nacht weer wat in te lopen).
Ons hotel ligt vlakbij de z\'{o}calo. De reisgids maakt melding van speciale
`bankjes voor verliefden' in
\raisebox{.2ex}{$\cap$}\raisebox{-.2ex}{$\!\cup$}-vorm: wel handjes vasthouden,
maar verder geen lichamelijk contact. Ze staan er inderdaad, maar het enige
verliefde paartje zit op een gewoon bankje. Voor de foto willen ze wel even
gaan verzitten. Op een kruising staat een agent het verkeer te regelen,
ofschoon de stoplichten het prima doen. Om er toch niet helemaal voor niets
te staan, laat hij het verkeer voor groen licht stoppen en bij rood licht
doorrijden.

Zo'n 80 km.\ ten zuiden van Merida ligt een rijtje bezienswaardigheden.
Op twee na zijn deze echter niet met de bus te bereiken. We vragen een
reisbureau of er vanuit Merida een dagtocht langs gaat. Dat kan geregeld
worden, maar wel voor 425.000 pesos (ruim 250 gulden). Dat is dus alleen
voor grotere groepen aantrekkelijk. We kunnen beter een auto huren (voor
115.000 pesos) en er zelf heen rijden. We bestellen een auto om acht uur
's-ochtends. Wanneer we om kwart voor acht in de lobby van het hotel komen,
belt het meisje van de autoverhuur net naar onze kamer. We hebben een
citroengele VW kever (bouwjaar 1991!). Er rijden trouwens in heel Mexico nog
ontzettend veel kevers rond, waaronder de meeste taxi's. 

We komen vrij eenvoudig Merida uit, alleen voor de {\em topes}
(verkeersdrempels) moeten we goed uitkijken: de meeste zijn vrij gemeen en
er staat soms, maar niet altijd een waarschuwingsbord bij. De Mexicanen
hebben er een heilig ontzag voor, moeder (`het is maar een huurauto') iets
minder. Via {\em Mayapan} (dat we vanwege de tijd maar
overslaan) rijden we naar de grotten van {\em Loltun}, waar we 20 minuten voor
het begin van de rondleiding aankomen. Helaas heeft een bus een grote
lading kwebbelende tienermeiden afgeleverd, waarvoor een aparte
rondleiding was aangevraagd, maar dat is kennelijk niet goed geregeld
want ze lopen met ons mee. De gids spreekt alleen Spaans, maar ofschoon ik
naast hem loop is dat niet de reden waarom ik hem niet versta.
In de grot zijn enkele Mayaresten te zien (maalstenen, muurtjes, een beeld)
en natuurlijke vormen waarin wij (in navolging van de Maya's) verzocht
worden van alles en nog wat te zien. Moeder probeert in dit verband de
meisjes in het Spaans het woord stalac{\em tieten} uit te leggen.

In {\em Labna} zijn veel details op de muren van de gebouwen bewaard gebleven.
Ook is er een stukje `heilige weg' gerestaureerd: een bijna een meter hoge
en een paar meter brede dijk van stenen. Er zijn tientallen kilometers 
van dergelijke `wegen' gevonden tussen de verschillende nederzettingen in
dit gebied. Het nut ervan is onduidelijk: de Maya's kenden het wiel niet,
dus erover rijden konden ze niet. Daarvoor is de weg (in ieder geval
zoals die gerestaureerd is) ook te oneffen. Zelfs erover lopen is
ongemakkelijk vergeleken met de grasvlakte ernaast. Trouwens, het verkeer
zal tussen de nederzettingen toch niet zo intensief geweest zijn dat
daarvoor meters brede voetpaden nodig waren. Overstromingen kwamen
natuurlijk ook niet voor, dus rest de archeologen nog maar \'{e}\'{e}n
verklaring: de `wegen' hadden een religieuze betekenis. Ofschoon Von
D\"{a}niken er ongetwijfeld banen voor luchtkussenvoertuigen in zag.
Tenslotte staat er in Labna nog een schijnboog (de Maya's kenden ook de echte
boogconstructie niet).

In {\em Sayil} is eigenlijk maar \'{e}\'{e}n gebouw bewaard gebleven,
maar dat is dan ook een enorm paleis. Ook zijn hier nog grote
waterreservoirs te zien. We reden in de goede richting: iedere plaats
was groter en interessanter dan de vorige. In {\em Kabah} staat een
paleis waarvan \'{e}\'{e}n wand geheel bedekt was met maskers van de
regengod. Het moeten er ruim over de honderd geweest zijn. Helaas is
bij de meeste de slurf, die de regengod van de Maya's siert, afgebroken.
De bovenste rijen zijn bijna geheel verdwenen en liggen als puin in het
gras. Ook in Kabah staat een schijnboog, aan het begin van de `heilige
weg' naar Uxmal. Uxmal is verreweg de belangrijkste opgraving,
maar daarvoor hebben we, zoals verwacht, die dag geen tijd meer.

Over een kaarsrechte weg rijden we terug naar Merida, waar we de auto
inleveren. We eten die avond in restaurant Los Almendros, in de reisgids
zeer aanbevolen om zijn Yucatan-keuken. Er zitten veel toeristen, die
kennelijk dezelfde reisgids hebben. Een strijkje maakt muziek.
Geheel in stijl rijden we met een caleche terug naar het hotel.

De volgende ochtend moeten we vroeg op om de bus van zeven uur naar {\em Uxmal}
te halen (we hebben bij het busstation ge\"{\i}nformeerd, maar wanneer we
ons bij het busstation melden blijkt de bus nu ineens pas om acht uur te gaan.
De piramide van Uxmal is zo steil, dat er een ketting langs de trap gespannen
is om de beklimming (en vooral de afdaling) mogelijk te maken. Ook hier zijn
weer overal de slurven van de regengod te zien. Er is een balspeelveld,
dat lijkt op die welke we eerder gezien hebben bij Oaxaca. Hier is een ring,
waar de bal waarschijnlijk doorheen gespeeld moest worden, mooi bewaard
gebleven. We zien ook nog een grote hagedisachtige (leguaan?).

Om elf uur moeten we weer weg, omdat we dezelfde dag nog naar Chitzen Itza
door willen reizen. De bus gaat om half twaalf, maar tien minuten eerder
komt er een collectivo langs die voor de rit naar Merida net iets minder
vraagt, en zo de klanten van de bus afsnoept. Kennelijk is openbaar
vervoer in Mexico soms nog lonend. De bus van Merida naar Chitzen Itza is
tweede klas: stopt overal, geen airconditioning, een paar mensen staan.
We aarzelen tussen een hotel bij de ru\"{\i}nes (duur, maar hoe duur?)
en uitstappen in het dorp Piste, 2 km.\ eerder.
Op het laatste moment, de bus rijdt Piste al weer uit, zien we een
redelijk hotel met zwembad en stappen we uit. Later blijkt dat we goed
gegokt hebben: de bus komt niet langs de dure hotels, daarvoor moet je
eerst heel het ru\"{\i}neterrein van Chitzen Itza doorlopen.

\Sec{Chitzen Itza}
Het zwemwater is lekker. Het dorp Piste is niet veel; er zijn uiteraard
wel enkele souvenirwinkeltjes. Moeder koopt een ketting, die 
ter plekke op de gewenste lengte wordt gebracht. Ik kijk naar een beeldje
van de Tolteekse regengod Chac Mool (achterover leunende figuur met een
schaal op z'n buik) voor 12.000 pesos, maar koop het niet. Even later biedt een
klein jochie me op straat een aanzienlijk grotere Chac Mool aan voor 15.000
pesos. Ik ding af tot 12.000; dat is waarschijnlijk nog te veel, maar dat
geeft niet. Het beeldje werkt echt: bij thuiskomst in Nederland is de
buitenkant van het pakje droog, maar de binnenste kranten zijn kletsnat!

De volgende ochtend lopen we in 20 minuten van het hotel naar de ingang
van Chitzen Itza. Het is zondag, zodat de toegang gratis is. Zoals gewoonlijk
beginnen we met het beklimmen van de hoge piramide, ook hier geholpen door
een ketting. Later beklimmen we ook de `binnenkant' van de piramide,
d.w.z.\ de oudere, een laag meer naar binnen gelegen piramide.
Het balspeelveld is het mooiste dat we gezien hebben. Langs de randen
zijn reli\"{e}fs van het spel te zien. Een reli\"{e}f van de onthoofding
van een verliezende speler moet waarschijnlijk symbolisch worden opgevat.
We ontmoeten hier ook twee Belgen, die na hun rechtenstudie in Leuven in
een jaar per motor van Los Angeles naar Buenos Aires reizen; ze zijn nu
twee maanden onderweg.

Langs een aantal kleinere platforms uit de Tolteekse tijd lopen we naar
de cenote, een rond gat in de grond van enkele tientallen meters
doorsnede, waarin altijd water staat. In de cenote zijn kunstvoorwerpen
aangetroffen, waarschijnlijk offers aan de goden. Ook zijn de beenderen
gevonden van ongeveer 50 mensen, voornamelijk kinderen. Men zegt dat dit
geofferde `maagden' zijn, maar ik weet het niet. Volgens mij is het niet
onwaarschijnlijk dat gedurende de 500 jaar dat Chitzen Itza bewoond was
gemiddeld eens per tien jaar iemand per ongeluk in het water viel.

Tegen de tijd dat de grote stroom toeristen met bussen aankomt uit Merida
en Canc\'{u}n, hebben we de grootste bezienswaardigheden gezien en gaan we
wat meer achteraf kijken in het oudere Maya-deel van Chitzen Itza.
Hier is de regengod weer Tlaloc met z'n slurfneus, in plaats van Chac Mool.
Er staat ook weer een observatorium (`op bepaalde dagen, bepaalde sterren%
\ldots'). Na de lunch hebben we niet genoeg energie meer om in het oerwoud
naar kleinere gebouwtjes te gaan zoeken, dus gaan we terug naar het hotel
om wat bij te komen in het zwembad.

De volgende ochtend zijn we erg vroeg wakker. We hadden eigenlijk de bus van
8.30 naar Canc\'{u}n willen nemen, maar we zijn vroeg genoeg voor die van
7.30. Die bus rijdt echter vol door. Volgens de lokettiste kan die van 8.30
ook best vol zijn, het is tenslotte de `maandagochtendspits'. Een meisje
uit San Francisco zit al vanaf 6.00 te wachten! Uiteindelijk nemen we
met z'n drie\"{e}n een taxi naar Valladolid, 40 km.\ verderop, waarvandaan
ook eerste klas bussen naar Canc\'{u}n vertrekken. De bus van 9.00 komt uit
Merida; pas als die binnen is kunnen we een kaartje kopen (als er plaats is).
Ik sta voor in de rij, maar de bus komt pas om 9.20 binnen, en vertrekt pas
om 9.55. Er is plaats, en we komen om 12.10 in Canc\'{u}n aan. Bij het
busstation vinden we een hotel met zwembad voor `maar' honderd gulden per nacht.

\Sec{Canc\'{u}n en Tulum}
's-Middags nemen we de stadsbus naar de zone met de dure hotels, die aan
het strand rond de lagune liggen. Bij het Sheraton stappen we uit en lopen we
naar het (openbare) strand. De zee is warm en ongeloofwaardig blauw.
Er staat een behoorlijke golfslag, net leuk om in te zwemmen. 's-Avonds
probeer ik in een `schoenensupermarkt' een paar schoenen te kopen (in
heel Mexico zagen we ontzettend veel schoenwinkels; schoenen zijn er vrij
goedkoop), maar van geen enkel paar bevalt het model me: zo'n spits toelopende
punt staat heel elegant, maar je voeten zijn er op den duur niet blij mee.

In ons programma zat nog een reservedag voor onverwachte tegenvallers met
het vervoer, maar die hebben zich niet voorgedaan. Deze dag gebruiken we nu
om Tulum te bekijken, een opgraving 80 km.\ ten zuiden van Canc\'{u}n.
Het complex is schitterend aan zee gelegen, maar valt verder enigszins tegen.
Het is een relatief jonge nederzetting (waarschijnlijk nog bewoond toen de
Spanjaarden landden), gebouwd toen het hoogtepunt van de Mayacultuur al
voorbij was. Het is ook de enig bekende Mayastad die ommuurd is, wat duidt
op conflicten tussen de Mayasteden onderling. Tenslotte liepen hier veel te
veel toeristen rond; waarschijnlijk daarom waren de meest interessante
gebouwen niet toegankelijk. Na de lunch gaan we terug naar het zwembad van
het hotel.

Onze thuisreis is geen wonder van goede planning. Om 5.30 gaat de wekker
en om 6.00 nemen we een taxi naar het vliegveld. Onze vlucht vertrekt
weliswaar pas om 8.50, maar we worden geacht 2$\frac{1}{2}$ uur tevoren
aanwezig te zijn. Waar dit voor nodig is wordt niet duidelijk: in 20 minuten
zijn alle formaliteiten afgehandeld. Twee uur tijdsverschil en
anderhalf uur vliegen later komen we aan in Miami. Aangezien \'{e}\'{e}n minuut
niet genoeg is om over te stappen, moeten we hier een dag wachten.

\Sec{Miami}
Een hotel direkt onder de luchthaven trekt ons niet zo, dus nemen we een
bus naar Miami Beach. Daar zijn ongetwijfeld hotels, alleen naar een {\em
goedkoop} hotel zullen we wellicht even moeten zoeken. Gedurende een half
uur (zonder overdrijven) reed de bus door een `wijk' met links en rechts
uitsluitend tweede-hands autoverkopers. Juist voor de brug naar Miami Beach
zien we op een kruisende weg een bescheiden motel met zwembad, waar we een
kamer nemen.

Ondanks het zwembad is ons eerste plan om ergens in zee te gaan zwemmen.
We lopen over de brug naar Miami Beach, dat net als Canc\'{u}n op een
lagune ligt. Eigenlijk zijn het twee bruggen, met daartussen een tamelijk
vies eiland. Op het `strand' spoelt alle vuil aan dat uit de plezierboten
in de lagune overboord wordt gekieperd, aan de wegkant maakt het bordje
`littering highways unlawful' bij uitzondering geen indruk.
De bruggen zijn zo te zien uitsluitend voor auto's bestemd, maar er stopt
niemand om ons een lift te geven of te vragen `What the ....\ are you doing
here?' Al met al wordt het een lange en niet zo interessante wandeling.
Uiteindelijk komen we aan in Miami Beach, en niet veel later bij de open zee.

Er staat een harde wind, er zijn geen kleedhokjes en er zit veel wier in het
water, dus gaan we toch maar niet zwemmen. In plaats daarvan nemen we een
soort `collectivo' naar Downtown. Naast een gewone metro rijdt in Miami 
de `Metromover' over een lus van zo'n drie kilometer in het centrum. 
De `treinen' bestaan uit \'{e}\'{e}n of twee kleine wagens op luchtbanden,
die op afstand bestuurd frequent over een boven het straatgewoel verheven
betonnen baan rijden. In Nederland is het aanleggen van zo'n baan ondenkbaar,
maar Downtown Miami is terecht geen beschermd stadsgezicht, constateren we
na een low-budget (\$0.25 pp.) sightseeing tour met de Metromover.

De bus terug naar het motel loopt uitzichtloos vast in een omleiding voor een
feestelijke bijeenkomst, die we vanuit de Metromover al gezien hadden.
Daarbij blaast de airconditioning van de bus constant lucht van zo'n 
$15^{\circ}$C over onze enigszins bezwete ruggen, zodat we werkelijk
steenkoud worden. Het motelzwembad gebruiken we uiteindelijk niet om af te
koelen, maar om weer warm te worden. Net wanneer we op weg gaan om een
restaurant te vinden begint het te regenen, zodat we onder een paraplu naar
de Denny's op de hoek lopen. Na de maaltijd regent het aanzienlijk harder.

De volgende ochtend pakken we voor de laatste keer onze bagage, waarna we
weer tussen de tweede-hands auto's door naar het vliegveld rijden. Eerst
vliegen we naar Newark, waar we vier uur op onze overstap moeten wachten.
We kijken naar een beeldententoonstelling in de hal en spelen bezique.
Voor ons gevoel ergens in de nacht, maar volgens de klok 's-ochtends
vroeg komen we aan in Londen. Eigenlijk hadden we hier weer vier uur moeten
wachten op de aansluitende (ha!\ ha!) Transavia vlucht, maar de vorige
vlucht is wat vertraagd en we mogen meteen instappen. Het netto resultaat
is dat we nu vier uur op Schiphol mogen wachten op onze bagage.
Pas laat in de middag zijn we thuis.

Zaterdag komen we bij van de reis en pakken we de koffers uit, zondag eten
we bij oma, maandag zijn de foto's klaar en zoeken we die uit, en dinsdag
stap ik om twaalf uur in de trein naar Zweden, waar ik woensdagochtend
(20 mei) aankom. Dan ben ik ook weer thuis. Natuurlijk is er sindsdien in
Link\"{o}ping al weer van alles gebeurd, maar dat hoort in een
volgende nieuwsbrief. Een volgend themanummer zal gaan over mijn reis naar het
allerhoogste noorden: de middernachtszon in Inari, de Noordkaap en Spitsbergen.
Rest mij nog slechts de groeten te doen aan alle bekenden.\\
\hspace*{\fill} Roland Bol,\hspace{.3cm} Link\"{o}ping, 6 augustus 1992.
\end{document}
